De ‘Vervanging’ van Jan van der Valk

5 maanden geleden

Eind 2021 neemt Jan van der Valk afscheid als hoofd van het 3Rs-Centre. De laatste jaren belichaamde hij het centrum bijna in zijn eentje, met enkele ondersteuners die kwamen en gingen. Hoe kijkt hij hierop terug en hoe moet het nu verder met Vervanging, Vermindering en Verfijning van dierproeven?

Eerst maar eens terug in de tijd. Hoe kwam het centrum tot stand?

Het begon in 1994 met een Nationaal Centrum Alternatieven voor dierproeven. Er was toen al een samenwerking tussen overheid, industrie en dierenbeschermingsorganisaties, genaamd Platform Alternatieven voor Dierproeven. Dit hield zich bezig met het ontwikkelen van beleid en het ondersteunen van 3V-initiatieven, maar er was behoefte aan een centrum dat meer activiteiten zou ontplooien en meer zou communiceren.

Omdat we in Utrecht binnen de faculteit Diergeneeskunde de vakgroep Proefdierkunde hadden, waar Bert van Zutphen als hoofd al heel actief was op 3V-gebied, werd het centrum hier ondergebracht. We werden een zelfstandig centrum onder de vlag van de vakgroep en in nauwe samenwerking.


Wij waren vroeg met transparantie en samenwerking met dierenbeschermingsorganisaties.

De financiering kwam van de overheid. Ik werd het hoofd van het centrum en er was ook geld voor een secretariaat en één of twee deeltijdmedewerkers. Zo konden we veel meer naar buiten treden via een nieuwsbrief, een website, workshops en congresjes.

Later werd de financiering overgedragen aan ZonMw en werd Coenraad Hendriksen als deeltijd-hoogleraar ‘Alternatieven voor dierproeven’ aan het team toegevoegd. Maar ZonMW financiert projecten maximaal twee keer voor een periode van vier jaar. Ergens rond 2010 werd de ondersteuning stopgezet en kwamen we in de problemen. Er is toen een Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor Dierproeven opgericht bij het RIVM, wat dichter bij de overheid dus, en wij zijn daar onderdeel van geworden. We hadden echter geen directe zeggenschap meer over ons beleid, en dat botste. Vandaar dat het Utrechtse deel zich ging onderscheiden als 3Rs-Centre Utrecht Life Sciences.

Afslanken

Eind 2014, met de herziening van de Wet op de dierproeven, werd dit kenniscentrum weer opgeheven en zijn we doorgegaan als zelfstandig universitair centrum. In eerste instantie heeft overheid ons nog ondersteund, maar ook dat hield op, in 2017. Toen moesten we definitief afslanken en uiteindelijk bleef ik als enige over. Maar in 2014 was ook de Instantie voor Dierenwelzijn Utrecht (IvD Utrecht) opgericht, en daarmee ontstond een intensieve samenwerking.

Je bent met het centrum behoorlijk heen en weer geschoven tussen partijen. Hoe heb je dat beleefd?

Dat heeft me bij momenten wel gefrustreerd. We konden vaak niet doorgaan met activiteiten waar wij en anderen in geloofden. Er was vaak geen duidelijk beleid over hoe met Vervanging, Vermindering en Verfijning om te gaan. Ik heb wel eens getwijfeld of ik door moest gaan. Maar de goede samenwerking met Coenraad en mijn contacten in het buitenland waren erg stimulerend. Bovendien had ik Internationaal een uitstekende samenwerking met andere enthousiaste 3V-centra, en daar was de geldstroom juist op gang gekomen. In die omgeving had ik het gevoel veel te kunnen betekenen.

Wat is onze positie internationaal?

Doordat we er zo vroeg bij waren wordt Nederland nog altijd gezien als een land waar een groot deel van de ontwikkelingen op 3V-gebied plaatsvinden. Daar wordt met respect naar gekeken. Al kunnen we soms ook wel eens betweterig overkomen, denk ik.

Transparantie

Deels komt dat misschien ook doordat het collega’s frustreert dat dingen ben hen moeilijker gaan. Wij waren bijvoorbeeld heel vroeg met onze transparantie over dierproeven en onze samenwerking met dierenbeschermingsorganisaties. Zoals wij in Nederland met proefdieren omgaan en het daar met elkaar over hebben, dat kan niet overal, nog niet, tenminste. Anderzijds moeten we niet naast onze schoenen gaan lopen. Zoals het NC3Rs in het Verenigd Koninkrijk het veld ondersteunt met hulp en advies, daar kunnen wij nog een puntje aan zuigen.

Hoe heb jij je ontwikkeld tot een 3V-expert, als dat al mogelijk is?

In een klein centrum als het onze, moet je óf je specialiseren óf generalist zijn. Ik heb gekozen voor het laatste. Door mijn ervaring weet ik van heel veel methoden voldoende af om erover mee te kunnen praten. Daarnaast is het belangrijk om de mensen te kunnen identificeren waar je meer kennis kunt halen. Het voordeel van generalist zijn is dat je gemakkelijk verbanden legt tussen gebieden en zo mensen samen kunt brengen. Door mijn werk, banden met organisaties in andere landen en het deelnemen aan congressen en symposia weet ik wat er speelt en wie ik waarvoor kan benaderen.

De laatste jaren hebben we het steeds vaker over de transitie naar proefdiervrije innovatie. Hoe kijk je daarnaar?

Er is verschil met Vervanging, en toch ook weer niet. Toen ik in de jaren ’90 les ging geven in de cursus Proefdierkunde, legde ik er al nadruk op: als je onderzoek opzet, moet je niet uitgaan van dierproeven en eventuele vervangende alternatieven – want dan ga je uit van de dierproeven als standaard – maar veel meer uitgaan van je onderzoeksvraag en hoe je die het beste kunt stellen en beantwoorden. Studenten waarderen die benadering. Het helpt hen om de beste modellen te vinden en goede wetenschap te bedrijven.

Diergebruik onderbouwen

Ik merk dat het gebruik van proefdieren niet altijd goed onderbouwd wordt. Ik zie nog te vaak argumenten in de trant van: mijn collega’s in binnen- en buitenland gebruiken dit diermodel, dus als ik het ook gebruik zijn de resultaten goed te vergelijken. Als je zo redeneert, leer je vooral veel over het diermodel, maar kijk je misschien onvoldoende naar de translationele waarde. Ik zou graag zien dat men daar meer over gaat nadenken: stel ik wel de juiste vraag?

De mogelijkheden van onderzoek zonder proefdieren nemen enorm toe. Humaan weefsel wordt steeds beter toegankelijk, er zijn organoïden, organen-op-een-chip… Die methoden hebben allemaal hun beperkingen, maar we zien wel dat het aantal toepassingen toeneemt. Zeker ook het combineren van meerdere organen op een chip is veelbelovend.

Heeft het 3Rs-Centre toekomst zonder jou?

De Universiteit Utrecht wil het centrum in enige vorm voortzetten en het bij de IvD Utrecht onderbrengen. Ik zou daarbij willen adviseren dat er een veel nauwere samenwerking komt met TPI Utrecht (Transitie Proefdiervrije Innovatie Utrecht, red.) en U-AIM (Utrecht Advanced In Vitro Models Hub, red.).

Weer nationaal?

Maar ik kan me ook voorstellen dat met de overheid wordt gekeken om toch weer tot een nationaal centrum te komen, ook gezien de ontwikkelingen in het buitenland. Lang waren we met enkele 3V-centra in Europa uniek, maar de laatste jaren zien we een geweldige toename, en er ontstaat nu samenwerking in een Europees platform. Wil je daarmee in contact blijven, dan is een nationaal centrum essentieel.

Wat wil je verder nog meegeven aan het proefdierenveld?

Ik wil een lans breken voor beroepsvereniging DALAS. Die speelt een belangrijke rol in het denken over dierproeven en hoe we kunnen werken aan Vermindering en Verfijning. Ook ben ik blij met de grootschalige Vervanging van proefdiergebruik in het onderwijs.

Dierenbeschermingsorganisaties

Een ander positief punt is het huidige contact met dierenbeschermingsorganisaties. Waar we vroeger meer tegenover elkaar stonden is er nu veel meer samenwerking. De organisaties benaderen de ingewikkelde dilemma’s nu positiever. Proefdiervrij bijvoorbeeld steunt projecten om dierproeven te vervangen, ook financieel. Het is belangrijk om de dialoog gaande houden.

Hier in Utrecht zien we momenteel een stijging van het aantal dierproeven, onder andere door grootschalig onderzoek met vissen. Heb je nog tips hoe daarmee om te gaan?

Het lastige is dat veel onderzoekers aannemen dat vissen ‘lagere’ diersoorten zijn, en daardoor een goed alternatief voor de ‘hogere’ diersoorten. De wet maakt dat onderscheid echter niet. Alle gewervelden moeten gelijk worden behandeld. Het is zaak dat de Instanties voor Dierenwelzijn, de Dierexperimentencommissies en de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) goed kijken of de keuze van het diermodel goed is onderbouwd, en dan met name waar dat van toepassing is: de translationele waarde. Ook lijkt het wel dat hoe kleiner de diersoort is, hoe hoger de aantallen moeten zijn. Het zou interessant zijn om hier eens onderzoek naar te laten doen.

Wat ga je nu doen?

Ik heb nog veel dingen ernaast die ik zal blijven doen. Ik zit in de Raad voor Dieraangelegenheden, in de wetenschappelijke adviesraad van het Zwitserse 3RCC en sinds kort in de CCD. Daarnaast krijg ik nu meer mogelijkheden om met de fiets de natuur in te gaan en daar mijn hobby fotografie weer op te pakken. Verder heb ik in de loop van de tijd klokken op rommelmarkten verzameld, waarvan er een aantal reparaties nodig hebben. Om dat onder de knie te krijgen ga ik binnenkort een uurwerkreparatiecursus volgen. Ik denk niet dat ik me ga vervelen.

VACATURE

De Life Sciences-decanen vinden dat het 3Rs-Centre waardevol is en in samenhang met TPI Utrecht een belangrijke rol kan spelen bij de realisatie van de ambities voor de ontwikkeling en toepassing van proefdiervrije methoden in onderzoek en onderwijs. Ook op het gebied van verfijning van dierproeven valt er nog veel werk te doen, en daar is de inbreng van het 3Rs-Centre van belang. Daarom is besloten het 3Rs-Centre voort te zetten. Het zal gekoppeld worden aan de IvD Utrecht en daarmee een meer centrale plek krijgen. Maar er blijft ook een actieve betrokkenheid van de faculteit Diergeneeskunde. Inmiddels is de werving van een opvolger gestart. Als je geïnteresseerd bent of iemand anders er op wil wijzen, raadpleeg dan de vacature.