De plastinaten van Arend Schot

7 jaar geleden

Arend Schot bewerkt dode dieren zodat ze langer goed blijven. Schot werkt bij de faculteit Diergeneeskunde op de afdeling Anatomie/Fysiologie, die onder het departement Pathobiologie valt.

Bij diergeneeskundig onderwijs werd voorheen veel met natte preparaten gewerkt: dieren op formaline, een giftige stof. Behalve dat het gebruik van een formalinepreparaat ongezond, lastig en onpraktisch is (een preparaat moet 48 uur lang gespoeld worden voor gebruik) gaat zo’n preparaat maar beperkte tijd mee. Daardoor zijn er dus met enige regelmatig nieuwe dode dieren nodig. Voor dit doel worden soms proefdieren gedood.

Gedoneerde dode dieren

Om die reden is bij Diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht jarenlang gewerkt aan 2 zaken: het ontwikkelen van droge preparaten, zogenaamde ‘plastinaten’ en het opzetten van een goed donorprogramma. Bij een plastinaat wordt het lichaamsvocht van een dood dier vervangen door aceton en daarna door siliconenolie, waarna het lichaam hard wordt. Een plastinaat gaat lang mee en heeft niet de nadelen van het gebruik van formaline. De dieren die gebruikt worden zijn niet speciaal voor dit doel gedood.

De preparaten lopen uiteen van een darmstelsel, longapparaat en een hart tot complete dieren. De studenten kunnen de plastinaten bestuderen, voor ze met echte dieren in aanraking komen. Daardoor zijn ze beter getraind op het moment dat ze met een levend dier gaan werken.

Dit artikel is mede gebaseerd op een artikel op dub.uu.nl.