Bestemming dieren

De meeste dieren worden na een dierproef gedood omdat nader onderzoek van het dode lichaam onderdeel is van de proef. Maar dieren kunnen ook worden hergebruikt. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het onderwijs als dieren herhaaldelijk gebruikt worden in een practicum waar studenten leren hoe je een dier hanteert of behandelt. Ook kunnen dieren worden aangeboden aan andere onderzoekers waardoor aanschaf van nieuwe dieren kan worden voorkomen.

Surplus

In het werkprotocol wordt beschreven of het dier wordt gedood aan het einde van de proef of wordt aangeboden als “surplus”. Surplus proefdieren kunnen proefdieren zijn die gebruikt zijn voor een dierexperimentele studie of onderwijs en waarbij het doden van de dieren na afloop van het onderzoek niet nodig is. Het kan ook gaan om dieren uit fokactiviteiten.

Bijvoorbeeld fok-ouderdieren die na verloop van tijd aan vervanging toe zijn, nakomelingen die niet het juiste geslacht of de genetische achtergrond hebben of die om andere redenen boventallig zijn. Het kan ook gaan om dieren die besteld, maar uiteindelijk niet gebruikt zijn, bijvoorbeeld omdat de geplande proef onverwacht geen doorgang kon vinden.

De onderzoeker moet de IvD op de hoogte stellen van beschikbare surplus-dieren, zodat de IvD de nodige informatie kan delen met de proefdiercoördinatoren. Bij interesse voor hergebruik beoordeelt de IvD of de dieren voor het genoemde gebruiksdoel gebruikt mogen worden.

Hergebruik

Er is sprake van hergebruik als er voor een proef dieren worden gebruikt die eerder in een andere proef zijn gebruikt. Het gebruik van surplus-proefdieren voor onderzoek, onderwijs en training wordt gestimuleerd omdat dit kan bijdragen aan het verminderen van het aantal benodigde proefdieren. Als dieren opnieuw worden gebruikt hoeven er geen andere dieren aangeschaft of gefokt te worden. Er zijn natuurlijk wel bepaalde voorwaarden waaraan een dier moet voldoen:

  • de werkelijke mate van ongerief in de voorgaande proef was ‘licht’ of ‘matig’; én
  • de algemene gezondheids- en welzijnstoestand van het dier na de voorgaande proef is volledig hersteld; én
  • het verwachte ongerief van de volgende dierproef is ingeschat als ‘licht’, ‘matig’ of ‘terminaal’
  • de te verrichten handelingen zijn in overeenstemming met diergeneeskundig advies.

Herplaatsing of euthanasie

Soms kan een proefdier niet worden (her)gebruikt vanwege ziekte, ouderdom, gedrag, of omdat er bij onderzoekers geen belangstelling is voor dat type dier. In die gevallen proberen we het dier te herplaatsen buiten de instelling (adoptie). Als het dier niet geschikt is voor herplaatsing, bijvoorbeeld vanwege een aanwezige aandoening, een genetische modificatie, de aanwezigheid van een infectieus agens of afwijkend gedrag, dan wordt gekozen voor euthanasie of, in het geval van landbouwhuisdieren, slacht. Ook als er binnen een vooraf gestelde termijn geen nieuwe eigenaar gevonden kan worden, wordt er gekozen voor euthanasie of slacht.

Het beoordelen of er gekozen wordt voor herplaatsing of euthanasie wordt gedaan in onderling overleg tussen de proefdiercoördinator, de dagelijkse verzorger van het proefdier, de Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) Utrecht en de verantwoordelijk onderzoeker of andere relevante functionarissen binnen de keten.

Meer informatie over het zoeken naar nieuwe eigenaren vind je terug bij adoptie.

Weefsel voor meerdere doeleinden

Als een dier in het kader van een dierproef wordt gedood is niet altijd het hele dier nodig. Het kan voorkomen dat alleen het hart of een ander orgaan nodig is van het proefdier. De overige weefsels kunnen dan voor andere onderzoeks- of onderwijsdoeleinden worden gebruikt. Als daarvoor extra handelingen aan het nog levende dier nodig zijn is er toestemming van de IvD nodig.

Er zijn onderzoeksgroepen die elkaar op de hoogte brengen wanneer er een dier wordt geëuthanaseerd in het kader van een proef, waar niet alle weefsels nodig zijn. Dit werkt intern goed en draagt bij aan het verminderen van het aantal benodigde proefdieren.

Om de uitwisseling en daarmee een optimalere benutting van weefsels en dieren verder te faciliteren, wordt er op dit moment gewerkt aan een digitaal uitwisselplatform, waar onderzoekers surplus dieren en (vitaal) weefsel kunnen uitwisselen.